Dierentalenpolitiek

bkemlfywkgfqaxxrrvuyrhiacvoydvf771znvwl1jek
© Eva Meijer

De oude Griekse filosoof Aristoteles verbond de grenzen van de taal met die van de politieke gemeenschap. Hij dacht dat alleen mensen spreken, en dat mensen daarom de enige dieren zijn die een onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad. Omdat ze dat onderscheid kunnen maken, uitgedrukt in mensentaal, vormen ze een politieke gemeenschap. Degenen die geen onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad kunnen niet rechtvaardig oordelen, dus die vallen erbuiten. Het idee dat alleen mensen politieke actoren zijn is nog steeds wijdverbreid, in de filosofie en in de politieke praktijk.

In de politieke filosofie zijn er echter tegenwoordig voorstellen om dieren als politieke actoren te beschouwen die in verschillende relaties staan tot menselijke politieke gemeenschappen. In poststructuralisme en posthumanisme wordt de uitzonderingspositie van de mens ter discussie gesteld.[1] In het heterogene vakgebied animal studies gebeurt dat ook,[2] net als in de diergeografie,[3] waar bovendien wordt gewezen op de verschillende manieren waarop dieren menselijke politieke gemeenschappen al beïnvloeden.

Wanneer het gaat over dieren en politiek wordt vaak direct de grap gemaakt dat dieren niet kunnen stemmen. Onderzoek naar groepsbeslissingen van dieren laat echter zien dat ze dat wel degelijk doen. Een aantal voorbeelden: besluitvorming van bijen kan gezien worden als de dierenvariant van wat de Duitse filosoof Habermas deliberatie noemt: verschillende individuen bespreken de opties die er zijn en kiezen collectief de beste.[4] Edelherten gaan op pad als meer dan 62% van de volwassen dieren opstaat. Kafferbuffels maken ook groepsbeslissingen over wanneer op te staan en waarheen te gaan. De vrouwtjes in de groep besluiten wat er gebeurt door op te staan, in een bepaalde richting te kijken, en weer te gaan liggen. Als de voorkeuren erg verschillen gaat de groep soms in kleinere groepjes uiteen. Onderzoekers dachten eerder dat de buffels gewoon even opstonden om hun benen te strekken, maar dit blijkt dus eigenlijk besluitvorming te zijn.[5] In groepen duiven is de hiërarchie dan weer flexibel. Verschillende individuen zijn op verschillende momenten de hoogste in rangorde, en bepalen dan waarheen gevlogen wordt.[6]

Stemmen is natuurlijk niet de enige manier waarop mensen politiek kunnen handelen. Hetzelfde geldt voor niet-menselijke dieren. Een voorbeeld zijn daden van protest en verzet. Jason Hribal, een Amerikaanse historicus, heeft het geweld van grote roofdieren, niet-menselijke primaten, walvisachtigen en olifanten in gevangenschap onderzocht en hij betoogt dat dit vaak doelbewuste handelingen zijn.[7] Een orka die haar hele leven mishandeld is, kan op een bepaald moment besluiten om terug te gaan vechten. Dit vindt ook plaats op het niveau van sociale groepen. Doordat hun leefgebied steeds kleiner wordt, zijn er in Azië en Afrika veel conflicten tussen groepen wilde dieren (bijvoorbeeld olifanten) en mensen, die strijden om hetzelfde voedsel. Andere vormen van politiek handelen zijn wat ze in de politieke filosofie ‘stemmen met de voeten’ noemen; een bepaald gebied verlaten omdat het politieke of sociaal-economische klimaat ongunstig is. Dit zien we bijvoorbeeld bij wilde dieren die uit hun leefgebied verdreven worden door toenemende verstedelijking. En er zijn situaties waarin dieren en mensen samenwerken om een bepaald politiek doel te bereiken, je kunt hier denken aan walvissen en activisten van Greenpeace die zich inzetten voor de walvissen. Hribal heeft ook het verzet van werkdieren in kaart gebracht en betoogt zelfs dat zij zich structureel verzetten, en dat dat de industriële revolutie mede op gang gebracht heeft.[8]

Politieke agency van dieren vinden we niet alleen terug op individueel niveau, maar ook op groepsniveau. Politiek filosofen Donaldson en Kymlicka stellen voor om groepen andere dieren als politieke gemeenschappen te zien.[9] Ze baseren zich enerzijds op het inzicht uit de dierenrechtentheorie dat niet-menselijke dieren deel zouden moeten uitmaken van onze morele gemeenschap, omdat ze sentient beings zijn, pijn en plezier kunnen ervaren,[10] en anderzijds op recent onderzoek naar cognitie, emoties en culturen van dieren dat de uitzonderingspositie van de mens ter discussie stelt.[11] In hun theorie over politieke rechten van dieren kijken ze naar de relaties tussen groepen dieren en menselijke politieke gemeenschappen. Wilde dieren zouden gezien moeten worden als soevereine gemeenschappen, die zichzelf besturen. Gedomesticeerde dieren zouden dan weer burgerschapsrechten moeten krijgen. De dieren die tussen mensen in leven maar niet gedomesticeerd zijn moeten gezien worden als denizens, en hebben rechten die tussen wild en gedomesticeerd in zitten. In de bepaling van de precieze rechten en plichten is de context van belang.

De wortels van deze theorie over politieke rechten van dieren liggen zoals gezegd in de dierenrechtenfilosofie, een stroming in de ethiek waarin andere dieren als subjecten gezien worden met levens die belangrijk voor hen zijn. In het denken over dierenrechten is lang de nadruk gelegd op zogenaamde negatieve rechten, rechten die bepalen wat er niet met een dier (of mens) mag gebeuren. Dieren zouden het recht moeten hebben om niet gedood te worden, niet gevangen genomen, en niet mogen worden gebruikt voor het gewin van een ander. Donaldson en Kymlicka wijzen erop dat die rechten voor dieren heel belangrijk zijn, maar dat we er daarmee niet zijn. Om een waardevol leven te kunnen leiden, is het niet voldoende om niet gedood of gevangen genomen te worden. Je moet ook ergens kunnen leven, de ruimte hebben om relaties aan te gaan met anderen, en jezelf op andere manieren kunnen ontwikkelen. Daarnaast is het praktisch gezien niet genoeg om alleen over negatieve rechten te denken. Mensen en dieren leven samen, soms door gemeenschappen te vormen en soms omdat ze een grondgebied delen. Om na te denken over een rechtvaardige omgang met andere dieren moeten we daarom kijken naar hoe we dat in het geval van mensen beoordelen, en kijken naar hoe menselijke politieke gemeenschappen zich tot elkaar verhouden.

In politieke interactie tussen mensen speelt communicatie, en dus taal, een belangrijke rol. Zowel in formele situaties – zoals in het parlement – als in tal van andere praktijken, van demonstraties tot op websites. In interactie met andere dieren is taal ook belangrijk. Een van de kenmerken van een democratie is dat degenen die erin leven niet alleen mee kunnen doen in het systeem zoals het er is, ze hebben ook een stem in het bepalen van dat systeem. Je hebt niet alleen passief kiesrecht, je kunt je ook verkiesbaar stellen en dan nieuwe wetten en regels voorstellen. Over dieren wordt vaak gedacht dat we misschien hun belangen wel kunnen meenemen, maar dat ze nooit in staat zullen zijn tot het meebesturen, of meedenken over wetten en regels. In het huidige systeem is het misschien voor veel dieren inderdaad lastig om zich verkiesbaar te stellen of een zinvolle discussie te voeren in het parlement. Dat wil echter niet zeggen dat inspraak onmogelijk is, en zeker niet dat het onwenselijk is.

Dierentalen

Lang werd gedacht dat alleen mensen taal hebben. Recent onderzoek in de biologie en ethologie laat echter zien dat niet-menselijke dieren op veel complexere manieren met elkaar, en overigens ook met mensen, communiceren dan wij dachten. Er zijn talloze voorbeelden. De grijze roodstaartpapegaai Alex kende bijvoorbeeld meer dan honderd woorden[12] Hij kon daarmee onder andere laten zien dat hij objecten kon tellen en ze kon indelen in categorieën. Ook maakte hij grapjes en gebruikte hij woorden om het gedrag van de mensen om zich heen te beïnvloeden. De bordercollie Chaser leerde de namen van meer dan duizend speeltjes, en begrijpt grammatica.[13] In het wild levende dolfijnen en papegaaien noemen elkaar bij hun naam.[14] Olifanten in gevangenschap spreken in menselijke woorden. Wilde olifanten hebben een woord voor ‘mens’, dat gevaar aanduidt.[15] De talen van walvissen, inktvissen, bijen en talloze vogels hebben een grammatica.[16] Honden kunnen in tegenstelling tot hun wilde neef de wolf gebaren van mensen begrijpen en emoties van het gezicht van mensen lezen.[17] Over de taal van prairiehonden is misschien het meest bekend.[18] Prairiehonden hebben verschillende geluiden voor verschillende indringers. Ze geven daarbij aan of het gaat om een indringer uit de lucht, of op de grond – beide vragen om een andere manier van reageren, dus het is nuttig om die informatie in een roep te verwerken. Maar daar blijft het niet bij. Ze beschrijven de indringer in detail. Bij mensen noemen ze dat het om een mens gaat, hoe groot de mens is, de kleuren van de kledingstukken, en of ze een paraplu of een pistool bij zich hebben. Bij honden geven ze naast formaat, kleur en vorm aan hoe snel een hond naderbij komt. Verschillende onderdelen van de roep geven een andere betekenis wanneer de volgorde verandert, wat te vergelijken is met een simpele grammatica. Ze gebruiken werkwoorden, zelfstandig naamwoorden en bijwoorden in betekenisvolle samenstellingen. Daarmee maken ze ook nieuwe combinaties, zoals ‘ovaal onbekend roofdier’, toen onderzoekers ze confronteerden met zo’n verzonnen vijand.

Aandacht voor taal en communicatie van niet-menselijke dieren is er al sinds de oudheid. Het vakgebied ethologie, dat gedrag, en daarmee communicatie, van dieren structureel bestudeert, kwam rond 1950 goed op gang. Taal is met name de laatste jaren in de belangstelling komen te staan. Zoals we zagen laat dat recente onderzoek zien dat andere dieren complexer met elkaar communiceren dan we eerder dachten. Over wat de betekenis daarvan is, voor dieren en voor taal, is nog weinig geschreven. Dat is jammer, want het roept allerlei filosofische vragen op. Over wat taal precies is, over onze omgang met andere dieren, en over het beeld dat we hadden van de mens als uniek wezen.

Taal speelt een belangrijke rol in hoe we over mensen denken. Veel filosofen in de westerse traditie beschouwen de menselijke taal als uniek en sommigen denken zelfs dat taal is wat ons mens maakt. Voor de al genoemde Aristoteles was beheersing van taal bepalend voor wie deel uit kon maken van de politieke gemeenschap. Volgens Descartes konden we uit het feit dat dieren niet kunnen spreken afleiden dat ze niet denken. Verlichtingsfilosoof Kant concludeerde dat dieren – alsmede vrouwen en niet-Westerse mannen, om van kinderen maar te zwijgen – geen rede hadden en daarom buiten de morele gemeenschap vielen. Voor fenomenoloog Heidegger was taal zo belangrijk voor hoe we in de wereld staan dat degenen die geen taal hebben niet kunnen sterven, die verdwijnen simpelweg. Deze filosofen definieerden taal als mensentaal, en sloten andere dieren zo op voorhand uit. Taal werd verbonden met het denken zelf, en gezien als uiting van de rede.

ykmdxpspdls9lckmiz_o5moa-pcaomjy6anpaldswrm
© Eva Meijer

In de huidige menselijke maatschappij en politiek spelen deze vragen nog steeds. Omdat dieren niet in mensentaal spreken denken mensen dat ze niet politiek kunnen handelen, wat gevolgen heeft voor hun positie in het politieke systeem en het rechtssysteem. Als we dieren niet verstaan, wordt vaak aangenomen dat hun communicatie niet betekenisvol is, en wanneer ze ons niet verstaan, wordt gedacht dat ze dom zijn. Het lijkt misschien logisch dat dieren geen rechten hebben of niet gehoord worden door mensen, omdat een mensenmaatschappij op mensen gericht is. Het probleem is alleen dat mensen de levens van veel dieren in grote mate bepalen. Gedomesticeerde dieren leven bij mensen en hebben vaak weinig vrijheid om keuzes te maken of zich te ontwikkelen, maar ook wilde dieren hebben te maken met menselijke invloed, bijvoorbeeld omdat mensen hun leefgebied innemen of vervuilen.

Hoe we over dieren denken is verbonden met hoe we ze behandelen. Neem het voorbeeld van Descartes, die dacht dat dieren geen ziel hadden. Dat leidde hij af uit het feit dat ze geen verstand hadden, wat hij weer afleidde uit het feit dat ze niet spreken. Zelfs doofstommen, schrijft hij, kunnen zich nog op de een of andere manier in mensentaal uitdrukken. Dieren zijn volgens hem echt stom, in beide betekenissen van het woord, want ze doen dat helemaal niet. Dieren die woorden nazeggen, hij geeft het voorbeeld van een ekster, doen dat op basis van passies, die hen motiveren om voor een beloning een bepaalde handeling te verrichten. Descartes zag het lichaam als zuiver mechanisch, iets dat werkt als een klok. Dieren hebben volgens hem geen ziel en dus alleen een lichaam. Ze zijn eigenlijk een soort machines. Hij noemde ze daarom ‘bêtes-machines’. Omdat dieren alleen lichamen zijn, kunnen ze geen pijn lijden. Ze schreeuwen misschien als iemand een mes in ze steekt, maar dat is geen uiting van pijn, het is een zuiver mechanische reactie. Omdat Descartes geïnteresseerd was in hoe lichamen werkten, was hij een voorstander van vivisectie. Hij stond daarmee aan de wieg van de dierproeven die nu nog steeds plaatsvinden. Denken over taal is dus ook een politiek project.

Dieren en taal

Wanneer je in taal schrijft over taal, of in taal denkt over taal, ben je altijd al onder invloed van die taal. Dat maakt het bestuderen van taal ingewikkeld. Wittgenstein vergelijkt het in zijn Filosofische Onderzoekingen met het repareren van een spinnenweb met je vingers. Taal kan ons misleiden – de vorm van de taal maakt dingen gelijk die niet gelijk zijn. Neem bijvoorbeeld het woord ‘dieren’. Dat doet het lijken alsof er een grens bestaat tussen alle mensen aan de ene kant, en alle andere dieren aan de andere kant, terwijl, zoals de filosoof Derrida stelde, een gorilla en een spin minder met elkaar gemeen hebben dan een mens en een gorilla.[19] De oude Egyptenaren hadden geen verzamelnaam voor alle dieren behalve de mens, wel voor verschillende soorten. Dat wij een woord hebben dat alle dieren vangt, heeft tot effect dat mensen de grens tussen mensen en andere diersoorten sterker ervaren. Dit heeft weer tot effect dat antropocentrisme, het idee dat de mens het middelpunt van het bestaan is, versterkt wordt. En dat kan weer leiden tot overheersing of zelfs geweld tegen dieren. Woorden hebben macht. De woorden die we gebruiken reflecteren opvattingen die bestaan in onze cultuur, en beïnvloeden die. Taal is een uitdrukking van de werkelijkheid en geeft die werkelijkheid vorm.

Taal misleidt echter niet alleen, het kan ook een brug slaan tussen verschillende werelden. Als we meer leren over dieren, kunnen we misschien beter met ze omgaan. Sommige mensen zullen ze beter willen behandelen. Omdat we door taal te gebruiken onszelf en de wereld begrijpen, is denken over taal een veelbelovend instrument in de interactie met andere dieren. Door beter te begrijpen wat ze zeggen, beter naar ze te kijken en te luisteren, kunnen we meer inzicht krijgen in hun leefwerelden. Door beter uit te leggen wat wij zeggen – op manieren die voor die dieren begrijpelijk zijn – kunnen we nieuwe gemeenschappelijke werelden vormen. Dat zal er niet toe leiden dat alle dieren en alle mensen in totale harmonie samenleven, net zoals dat bij mensen ook niet het geval is. Het kan wel bijdragen aan oplossingen voor bepaalde praktische problemen die het samenleven meebrengt – en samenleven is onvermijdelijk – en het kan ons helpen zoeken naar nieuwe relaties, in een wereld die door mensen gedomineerd wordt.

Of andere dieren wel of geen talen hebben, lijkt misschien vooral een kwestie van waarneming. Informatie moet echter altijd geduid worden. Het onderzoeken van talen van dieren vereist daarom dat we ook de heersende vooroordelen onderzoeken en waar nodig bijstellen. De vragen die gesteld worden, bijvoorbeeld in dieronderzoek, zijn namelijk bepalend voor de antwoorden die dieren kunnen geven. Wanneer je ervan uitgaat dat dieren geen taal hebben en niet betekenisvol kunnen communiceren, zal het onderzoek dat je doet om dat te bewijzen dat waarschijnlijk ook bewijzen. Wanneer je ervan uitgaat dat dieren wel communiceren, en misschien ook op complexe manieren, zal je andere vragen stellen. Wittgenstein stelt dat de taak van filosofie is om ons anders naar de werkelijkheid te laten kijken. Denken over taal en dieren kan ons helpen om anders naar dieren te kijken, en om anders naar taal te kijken. Andere dieren laten ons zien dat taal veel breder en rijker is dan we dachten, en dat er veel meer mogelijkheden zijn om je betekenisvol uit te drukken dan alleen in mensenwoorden. In plaats van die uitingsvormen af te doen als inferieur, kunnen we ervan leren, over (de innerlijke levens van) andere dieren, en over de verschillende manieren waarop betekenis tot stand komt.

Nieuwe richtingen

Om anders samen te kunnen leven met niet-menselijke dieren moeten mensen dus hun houding veranderen. Praktisch gezien moet er verder onderzoek gedaan worden naar talen van andere dieren, en naar gemeenschappelijke talen tussen niet-menselijke en menselijke dieren. Ook moet er onderzoek gedaan worden waarin dieren mee kunnen denken over het anders vormgeven van het samenleven. Donaldson en Kymlicka stellen in deze context voor om zogenaamde animal sanctuaries in te richten als ruimtes voor onderzoek, waarin gedomesticeerde dieren kunnen aangeven hoe zij hun leven willen vormgeven.[20] Een ander voorbeeld zijn de respectievelijke experimenten van Ted Kerasote[21] en Barbara Smuts[22], die zoeken naar manieren om op basis van gelijkwaardigheid met honden samen te leven. Verder nadenken over hoe we de planeet moeten delen met anderen is niet alleen aan de mens, omdat dat antropocentrisme in stand zou houden en omdat mensen niet alles weten: wij moeten met dieren in gesprek.


Eva Meijer is filosoof, schrijver, kunstenaar en singer-songwriter. Ze werkt momenteel aan de Universiteit van Amsterdam aan een proefschrift in de filosofie over politieke stem van dieren. Begin dit jaar verscheen haar boek Dierentalen, over talen van dieren en de vraag wat taal eigenlijk is. Half september verschijnt haar nieuwste roman Het vogelhuis, over vogelonderzoeker Len Howard. Meer informatie is te vinden op haar website.


[1] Wolfe, C. (2003). Animal rites: American culture, the discourse of species, and posthumanist theory. Chicago: University of Chicago Press.

[2] Haraway, D. J. (2008). When species meet. Minneapolis: University of Minnesota Press.

[3] Hobson, K. (2007). Political animals? On animals as subjects in an enlarged political geography. Political Geography 26(3), 250-267.

[4] Seeley, T. D. (2010). Honeybee democracy. Princeton: Princeton University Press.

[5] Conradt, L., & List, C. (2009). Group decisions in humans and animals: a survey. Philosophical Transactions of the Royal Society of London B: Biological Sciences 364(1518), 719-742.

Conradt, L., & Roper, T. J. (2005). Consensus decision making in animals. Trends in ecology & evolution 20(8), 449-456.

[6] Nagy, M., Ákos, Z., Biro, D., & Vicsek, T. (2010). Hierarchical group dynamics in pigeon flocks. Nature 464(7290), 890-893.

[7] Hribal, J. (2010) Fear of the animal planet: The hidden history of animal resistance. New York: AK Press.

[8] Hribal, J. (2003). “Animals are part of the working class”: a challenge to labor history. Labor history 44(4), 435-453.

[9] Donaldson, S., & Kymlicka, W. (2011). Zoopolis: A political theory of animal rights. Oxford: Oxford University Press.

[10] Regan, T. (1983). The Case for Animal Rights. Berkeley: University of California Press.

Singer, P. (1975) Animal Liberation. New York: Pimlico.

[11] Bekoff, M. (2002). Minding animals: Awareness, emotions, and heart. Oxford: Oxford University Press.

Crane, J. (Ed.) (2015). Beastly Morality: Animals as Ethical Agents. Columbia: Columbia University Press.

Peterson, D. (2012). The moral lives of animals. New York: Bloomsbury Publishing USA.

[12] Pepperberg, Irene. 1995. “Grey Parrot Intelligence.” Proceedings of the International Aviculturists Society January: 11–15.

[13] Pilley, John and Allison Reid. 2011. “Border collie comprehends object names as verbal referents.” Behavioural processes, 86/2, 184-195.

Pilley, John. 2013. “Border collie comprehends sentences containing a prepositional object, verb, and direct object.” Learning and Motivation 44.4: 229-240.

[14] Berg, Karl, Soraya Delgado, Kathryn A. Cortopassi, Steven R. Beissinger and Jack W. Bradbury. 2011. “Vertical transmission of learned signatures in a wild parrot.” Proc. R. Soc. B 0932; 1471-2954.

[15] Soltis, J. King LE, Douglas-Hamilton, Vollrath and Savage. 2014. “African Elephant Alarm Calls Distinguish between Threats from Humans and Bees.” PLoS ONE 9/2: e89403.

[16] Gentner, T. Q., Fenn, K. M., Margoliash, D., & Nusbaum, H. C. (2006). Recursive syntactic pattern learning by songbirds. Nature 440(7088), 1204-1207.

[17] Haraway, D. J. (2008). When species meet. Minneapolis: University of Minnesota Press.

[18] Slobodchikoff, C. N., B. S. Perla and J. Verdolin (2009). Prairie dogs: communication and community in an animal society. Cambridge: Harvard University Press.

[19] Derrida, J. (2008). The animal that therefore I am. New York: Fordham University Press.

[20] Donaldson, S., & Kymlicka, W. (2015). Farmed Animal Sanctuaries: The Heart of the Movement?. Politics and Animals 1(1), 50-74.

[21] Kerasote, T. (2008). Merle’s Door. Boston: Houghton Mifflin Harcourt.

[22] Smuts, B. (2001). Encounters with animal minds. Journal of Consciousness Studies 8(5-7), 293-309.